Alle vanaf 1815 tot de Nederlandse adel behorende leden van het geslacht De Geer stammen van deze drie broers af en de thans levende behoren allen tot de tak De Geer van Jutphaas.
De vader van deze drie broers, Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen 1781), was in eerste huwelijk in 1737 op kasteel Maarsbergen getrouwd met de dochter van de ambachtsheer Constantia Clara
Tamminga (1720-1753). De twee rouwborden van ongeveer dezelfde grootte, die als pendanten in de kerk zullen hebben gehangen, hebben betrekking op dit echtpaar, waaruit zes kinderen werden geboren. Helaas stierf Eger Tamminga de Geer op 13 jarige leeftijd. Deze Tamminga is dan ook niet opgenomen in dit boek.
De alliantiewapens De Geer-Tamminga zijn ook aangebracht in het timpaan boven de hoofdingang van kasteel Rijnhuizen, dat honderd jaar na de bouw werd verfraaid toen dit echtpaar er
permanent ging wonen.
Twee jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde Jan Jacob te Nijmegen met Theodora Anna van Haeften van Wadenoyen (1721-1801), dochter van de heer van Ophemert. Aangezien zij tijdens de Bataafse Republiek overleed, is er
van haar geen rouwbord overgeleverd. Uit dit tweede huwelijk werden de twee hierboven genoemde zonen geboren.
De twee andere rouwborden betreffen twee schoonzonen van het echtpaar De Geer-Tamminga, die betrekkelijk kort na elkaar en even als hun schoonvader in het begin van de jaren tachtig van de achttiende eeuw ter plaatse zijn overleden. Schoonmoeder was al in 1753 overleden, maar schoonvader eerst in 1781, terwijl de schoonzonen Mackay en Van Utenhove respectievelijk in 1782 en 1784 volgden.